Verloren in de geschiedenis (II)

Joost Demmink

Na een onbeduidende ruzie met landwachter Douwe Wijnalda, in augustus 1944, werd aardappel- en fruithandelaar Klaas Dijkstra uit Harkema gearresteerd en met tussenstops in Groningen en Amersfoort afgevoerd naar concentratiekamp Neuengamme, bij Hamburg. Daar arriveerde hij op 10 september 1944. Wat daarna met hem gebeurde, is 75 jaar later nog steeds gissen. Drie aanwijzingen geven een glimp van wat er gebeurd kan zijn. De eerste, een trouwring die na de oorlog aan zijn vrouw bezorgd werd, belooft weinig goeds. De tweede aanwijzing, zijn portefeuille die in de jaren negentig door het Rode Kruis werd opgespoord, suggereert vanwege de vindplaats dat Klaas tot het einde in Neuengamme bleef en niet doorreisde naar een ander kamp. De derde en laatste aanwijzing is het ontbreken van Klaas’ naam in de zogenoemde “Totenbücher” van het kamp. Dat suggereert dat hij op 15 maart 1945 nog in leven was.
Zeker is alleen dat Klaas nooit terug kwam.

Zicht op Lübecker Bocht bij Neustadt. Op deze plek verging de Cap Arcona.
Foto: Joost Demmink, augustus 2019
Lees verder

Verloren in de geschiedenis (I)

Joost Demmink

Paniek, verzengende hitte, duisternis en oorverdovende explosies. IJzingwekkend moeten ze geweest zijn, de laatste momenten van aardappel- en fruithandelaar Klaas Dijkstra uit Harkema. Tenminste, als hij zich daadwerkelijk bevond op de plek waar hij volgens de officiële lezing zijn einde vond. Die versie van het verhaal vertelt ons dat hij zich in het ruim van een van de schepen bevond toen de eerste Typhoons van de Royal Air Force op 3 mei 1945 hun aanval in de Lübecker Bocht inzetten. Doelbewust zouden ze op die koude donderdagmiddag de schepen Thielbek en Cap Arcona tot zinken brengen. Meer dan 7000 mensen – grotendeels gevangenen uit Duitse concentratiekampen – kwamen om.

Lübecker Bocht
Foto: Joost Demmink, augustus 2019
Lees verder

Het keukenraam van doña Ana

Lilian Eefting

In de smalle kronkelstraten van het oude centrum van het Spaanse Granada, vol hoge huizen volgeplakt met gietijzeren balkonnetjes die elkaar soms lijken te verdringen op de oude muren, steekt plotseling een buitenproportioneel grote, zwartglanzende neus van een auto naar voren. Achter het stuur zit een buitenproportioneel kleine man, die verwoede pogingen doet zijn trots ongeschonden uit de garage en op het straatje te krijgen. Hoe graag hij het ook zou willen, het lukt hem niet alleen. Even verderop staat zijn vrouw.

Lees verder

‘Alsof men alles loslaat’

Door Marike Goossens

Achteraf bezien klinkt de titel van zijn laatste dichtbundel als een voorbode van zijn dood. In de zomer van 2018 verscheen Alsof men alles loslaat en op 19 december van datzelfde jaar overleed Michaël Slory. Veelal geroemd als Surinaams grootste dichter, maar ook bekend om zijn sjofele, voorovergebogen gestalte slenterend door de straten van Paramaribo om zelfgedrukte dichtbundels te verkopen.

In Nederland kennen weinigen zijn naam. Hij debuteerde in 1961 met de politieke dichtbundel Sarka/Bittere strijd, over de onafhankelijkheidsbewegingen in Afrika en in het bijzonder Nigeria; na enkele jaren gevolgd door Brieven aan de guerrilla en Brieven aan Ho Tsji Minh. Jaren later verschenen alleen nog de bloemlezingen Ik zal zingen om de zon te laten opkomen (1991) en Torent een man hoog met zijn poëzie (2012). Een opmerkelijk korte lijst voor een man die zijn leven schrijvend doorbracht en bijna zestig jaar lang stukken publiceerde.

Michaël Slory
Foto: Werkgroep Caraïbische Letteren

Van Coronie

Michaël Arnoldus Slory werd op 4 augustus 1935 geboren in het slaperige stadje Totness, hoofdstad van het Surinaamse district Coronie, bekend om zijn kokospalmen. Het was een gelukkig kind, al vond zijn moeder dat hij soms te veel piekerde. Zijn vader wilde dat er wat van hem worden zou en stuurde hem naar school in Paramaribo. In een documentaire uit 1996 vertelt Slory dat hij soms huilde als hij weer naar de stad moest. ‘Wanneer het vakantie was, nou zo vlug mogelijk weer terug naar Coronie. Ik keek verlangend naar de kalender, dan was het rapport er, even nog rondkijken, een of twee of drie dagen en dan wegwezen.’

Naar Nederland

In Nederland volgde hij de studie Spaans, die hij niet afmaakte, en in 1970 keerde hij terug naar Paramaribo, de hoofdstad van zijn geboorteland. Hij deed dit op een moment, vijf jaar voordat de onafhankelijkheid uitgeroepen werd, dat velen Suriname juist verlieten. Jaren later, terugkijkend, vroeg hij zich af: ‘God, hoe is het mogelijk dat ik heb uitgeblonken op de Paulusschool, uitgeblonken op de AMS, uitgeblonken op de universiteit in Nederland en ook prijzen heb gewonnen en dat je dan toch zo’n leven moet slijten en moet doodgaan.’

Naar Paramaribo

Eenmaal terug in Suriname koos hij er bewust voor om in het Surinaams te schrijven. ‘Ik kwam met al die energie van: weg met het kolonialisme, vóór socialisme, vóór algemeen belang en vóór het land. Ik probeerde het Sranantongo door alles heen te blijven verdedigen. Want ik vond dat het zonde was dat die taal weggegooid werd.’ Slory publiceerde zelf zijn bundels, soms wel drie per jaar, vaak in oplagen van 2.000 exemplaren. Volgens eigen zeggen heeft hij ‘een offer gebracht’ voor de Surinaamse taal, ‘je moest blijven zwoegen.’
Toch is het een opgewekte en gevatte Slory die in de documentaire En nu de droom over is zijn dichtbundels aan de man brengt. ‘Tweeduizend gulden, is het veel?’ vraagt hij de vrouw die keurend door zijn boekje bladert. Fijntjes herinnert hij haar eraan dat mensen zo vijf- of zesduizend Surinaamse gulden uitgeven voor een avondje uit in het theater Thalia of het Anthony Nesty Stadium. ‘Nou, een boekje – dat kun je toch een hele tijd gebruiken.’

‘Absolute dichter’

Van Kempen, hoogleraar Nederlands-Caribische literatuur, samensteller van de vorig jaar verschenen bloemlezing en goede bekende van Slory noemt hem een absolute dichter. ‘Het hele leven was voor Slory poëzie, niet de franje aan de samenleving, maar het hart van de samenleving.’ Bovendien was hij in staat om over van alles te dichten. ‘Niets was hem te min. Bijvoorbeeld het vuil in de straten. Je kunt je moeilijk voorstellen dat iemand dat hier doet. Maar hij deed dat.’

Slory schreef graag en veel over de maatschappij, over zijn geliefde Suriname en over de liefde. Vooral in dichtvorm en soms in proza zoals zijn bijdragen in het Surinaamse dagblad De Ware Tijd. Maar met zijn inzet voor de Surinaamse taal is, zo vermoedde hij zelf, de liefde in zijn eigen leven erbij ingeschoten. Hij hoopte altijd ‘een deugdelijk leven te kunnen leiden met een vrouw, maar het is er niet van gekomen want ik liep maar Sranantongo te verkopen en dat offer te brengen.’

Bejubeld en miskend

Als dichter wordt hij door kenners geprezen en bejubeld, in zijn leven heeft hij zeven literaire prijzen in ontvangst mogen nemen (waaronder de Surinaamse Staatsprijs voor Literatuur 1983-1985) en uiteindelijk is hij met staatseer begraven. Maar hij voelde zich onbegrepen en miskend. Hij kon maar met moeite rondkomen van zijn literaire talenten, hij sjouwde onophoudelijk door de straten van Paramaribo met zijn gedichten onder de arm en hij voelde de meewarige blikken van zijn stadgenoten in zijn rug. Had hij liever wat minder prijzen en wat meer erkenning gekregen?

‘Deze dag’
Deze dag
geeft zoveel pijn.

Niet wilde ik
ooit zo zijn.

Ben jij soms
het medicijn?

Maar de bomen
zo onbewogen.

Zelfs de wind
heeft mij belogen!
Ben jij soms
het medicijn?

Nooit wilde ik
ooit zo zijn.

Met het overlijden van Michaël Slory is niet alleen een einde gekomen aan de woordenvloed van een groot dichter maar is ook de hoop vervlogen om deze bijzondere man ooit nog eens tegen het lijf te lopen in de straten van Paramaribo.

‘Afscheid van de doden’
Geurig het afscheid.
Geurig het avondlicht
waar de boot vertrekt
voor altijd.
O dit leven
dat gaat en gaat,
en nooit weerkeert
en nooit weerkeert
O mogen mijn woorden zijn als bloemen
in het zacht wegkwijnend licht
O dat zij daar van gene zijde
ons eens zenden een bericht!

Bronnen

“Je zoekt je ouders niet uit, maar ook je land niet”

De ontworteling van een Silezische familie

Door Lilian Eefting

Er is veel bekend over wat er tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog in Nederland plaatsvond, maar van de gebeurtenissen in andere landen weten we zo goed als niets. Laura Starink brengt daar op indringende wijze verandering in met haar boek ‘Duitse wortels’ (2013).

Duitse wortels – Mijn familie, de oorlog en Silezië
Lees verder

Het verhaal achter de foto

Door Joost Demmink

Voor de buurtbewoners is het haast een iconische foto, zo vaak kom je hem tegen. Fotograaf Sjors Visscher legde het tafereel vast in de zomer van 1952. Op de achtergrond, linksachter, staat het badhuis waar gegoede “stadjers” – zoals bewoners van de stad Groningen wel worden genoemd – tegen betaling een bad konden nemen. De veranda voorlangs is inmiddels verdwenen, maar verder is het “in Chaletstijl ontworpen” gebouw uit 1880 ook in 2019 nog altijd moeiteloos herkenbaar.

Zomer 1952, met het “loezenbad” op de voorgrond, op de achtergrond het badhuis en het “heerenbad”
Foto: Sjors Visscher, Fotobedrijf Piet Boonstra
Lees verder