Het Liauckemavoordeel (II)

Door Wike de Boer

De katholieke familie Liauckema, die eeuwenlang de streek bij het Friese Sexbierum had gedomineerd, moest vanwege de Tachtigjarige Oorlog in 1579 huis en haard verlaten. Jarich van Liauckema, de oudste zoon van de familie, nam dienst in het Spaanse leger om de opstand de kop in te drukken en zijn rechten te herwinnen.

Jarich in het Spaanse leger

Meer dan ooit was Jarich gemotiveerd om te vechten. Zijn toekomst stond op het spel. Omdat hij van hoge adel was, werd hij aangesteld als een van de onderaanvoerders van het Spaanse leger in Noord-Nederland. Dit leger was aan de winnende hand en wist in 1582 Steenwijk, een belangrijke toegangspoort naar het noorden te veroveren.

Altaarstuk door een onbekende meester, vermoedelijk kort na de verovering van Steenwijk gemaakt (Rijksmuseum Amsterdam). De commandeurs van het Spaanse leger na de capitulatie van Steenswijk zijn hierop afgebeeld. Jarich is de vierde man van links. De tweede van links is zijn latere schoonvader Tiete van Cammingha. Vooraan de Spaanse legeraanvoerder Juan Bautista de Tassis.
Foto: nl.wikipedia.org/wiki/Jarich_van_Liaucke

In 1583 werd de stad Zutphen ingenomen. Het ging Jarich voor de wind, zijn ster was rijzende. In deze tijd trouwde hij met Sjouck van Cammingha, een dochter uit een van de meest vooraanstaande katholieke families uit Leeuwarden. Ze waren genoodzaakt hun domicilie buiten Friesland te kiezen en besloten zich voorlopig in Keulen te vestigen. Daar hadden meer katholieken uit Friesland een goed heenkomen gevonden. Jarich en Sjouck kregen er twee dochtertjes: Jel in 1585 en Tryn in 1592. Hun vader zal niet erg vaak thuis zijn geweest, want hij verkeerde de meeste tijd bij het Spaanse leger in de Noordelijke Nederlanden. Waarschijnlijk kreeg hij er niet veel van mee dat Jel haar eerste woordjes begon te brabbelen. Later miste hij vermoedelijk het moment dat Tryn zich aan een krukje vastgreep en pogingen deed om te gaan staan. Hij kon zijn dochters niet zien opgroeien. Sjouck moest zich er in Keulen alleen doorheen slaan.

Na de verovering van Zutphen was het Spaanse leger uitgegroeid tot de schrik van het noorden. Vanuit de stad Groningen deden de troepen plotselinge invallen in het gebied van de Republiek, waarbij ze op grote schaal plunderden, landerijen verwoesten en de bevolking angst aanjoegen. In 1586 kwam het bij Boksum (bij Leeuwarden) tot een echte veldslag, waarbij de Spaanse troepen de overwinning behaalden. Aan Friese zijde vielen zo’n vijfhonderd doden.

Kennelijk was het voor Jarich geen punt dat hij vocht tegen zijn eigen landgenoten. Hij blaakte van zelfvertrouwen toen hij in 1588 op 30-jarige leeftijd benoemd werd tot de nieuwe Spaanse gouverneur van Zutphen.

De oorlogskansen keren

Maar daarna keerde het tij. Toen in het voorjaar van 1591 een groot deel van het Spaanse leger aan het Franse front moest worden ingezet, grepen Maurits en zijn neef Willem Lodewijk hun kans. Samen brachten ze een goed geoefend leger op de been om het noorden voor de Republiek veilig te stellen. Langs de IJssel trokken ze op. Eerst veroverde Maurits Doesburg. Nog geen dag later stond hij voor Zutphen met achtduizend man voetvolk en tweeduizend ruiters. Jarich, die als bevelhebber de stad verdedigde, zag geen kans om Zutphen voor Spanje te behouden. Hij slaagde er alleen nog in om een vrije aftocht voor zichzelf en zijn troepen te bedingen.

Hierna wist Maurits in snel tempo ook Deventer, Delfzijl en Steenwijk en Coevorden in te nemen. Alleen de stad Groningen bleef in het noorden nog over als katholiek bolwerk.

De Republiek 1477-1806
Bron: kaartje ontleend aan Israel (1995)

Het beleg van Groningen

Maurits was erop gebrand de stad in handen te krijgen. In 1594 sloeg hij het beleg om Groningen. Opnieuw trof hij Jarich als aanvoerder van de Spaanse troepen tegenover zich. Met veel munitie had Jarich zich met zijn leger binnen de muren van Groningen verschanst om de stad te verdedigen. Jarich wist dat het een moeizaam gevecht zou worden. Hij wilde het in ieder geval volhouden totdat nieuwe Spaanse troepen de stad te hulp zouden schieten. Twee maanden van strijd volgden. Volgens ooggetuigen toonde Jarich zich een bekwaam aanvoerder en een moedige vechtersbaas terwijl het leger van Maurits een regen van kanonskogels op de stad afvuurde. Maar toen Maurits loopgraven liet aanleggen, de muren ondermijnde en bij de Oosterpoort met zwaar geschut in één klap een groot stuk bolwerk de lucht in blies, moest de stad zich overgeven.

Het beleg van Groningen
Foto: https://nl.wikipedia.org/wiki/Reductie_van_Groningen

Het beleg van twee maanden had het leven aan vierhonderd man van Maurits’ troepen gekost en aan driehonderd man van de verdedigers. Het stadsbestuur probeerde nog gedaan te krijgen dat één kerk katholiek kon blijven. Dat werd niet toegestaan. Alle monniken, priesters en het Spaanse leger moesten de stad verlaten.

Jarich besefte dat Noord-Nederland nu voorgoed in protestantse handen zou blijven. Er zat voor hem niets anders op dan met het Spaanse leger naar de Zuidelijke Nederlanden af te reizen. Zijn vrouw Sjouck verhuisde in dezelfde tijd met de dochters Jel en Tryn van Keulen naar Paderborn. Sixtus, Jarichs jongere broer, was daar ondertussen als priester aangesteld. Later ging de familie net als Sixtus naar het Vlaamse Mechelen.

De Liauckemastate in Friesland raakte steeds verder uit zicht.

Het Liauckemavoordeel (I)

Door Wike de Boer

Voor sommige adellijke kinderen uit de 16e en 17e eeuw leek de toekomst bij de geboorte al vast te staan. Twee fascinerende kinderportretten in het Fries Museum getuigen daarvan. De portretten zijn afkomstig uit de voormalige Liauckemastate in het Friese Sexbierum. Wat was dat voor familie, die Liauckema’s en hoe verging het hun in de tijd van de Gouden Eeuw?

We duiken in het leven van Jarich van Liauckema ( 1559-1642). Vanaf zijn geboorte was hij voorbestemd om de Liauckemastate met bijbehorende bezittingen te erven. Daardoor zou hij net als zijn voorouders een belangrijke positie in het bestuur van Friesland verwerven. Toen dit door het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog op losse schroeven kwam te staan, zette Jarich alles op alles om zijn oude rechten te behouden.

Kinderportretten

Het is druk in het Fries Museum. De tentoonstelling ‘Rembrandt en Saskia, Liefde in de Gouden Eeuw’ (te zien in 2019) is uitverkocht.

Portret van Saskia, 1633/1634-1642, olieverf op paneel
Foto: Rembrandt en Saskia, liefde in de Gouden Eeuw, tentoonstellingscatalogus.

Een iconisch portret van Saskia, de uit Leeuwarden afkomstige vrouw van Rembrandt, is voor het eerst sinds 250 jaar te zien in Nederland. De bezoekers verdringen zich rond huwelijksportretten, bruidshandschoenen, trouwringen en het schilderij dat Rembrandt van Saskia maakte. Fascinerend is een hele wand met kinderportretten. Schilderijen van jongens en meisjes die een bloeiende rozentak, een glanzende kers of een rammelaar in de hand houden. Of kinderen in fluwelen jurken die op een landweggetje met een geitje spelen.

Een portret van een jongetje met een groot zwaard aan zijn zijde valt hierbij geheel uit de toon. Met een frisse blik kijkt hij de bezoekers aan, terwijl hij een veldheersstaf vasthoudt. Parmantig steken zijn voetjes onder zijn kleding uit. Een zelfbewuste edelman of krijgsman in de dop die er zin in heeft, zo lijkt het. Boven, links op het schilderij, zijn twee familiewapens aangebracht met daaronder het opschrift: ‘Johannes Van der Laen anno 1622 eat quinto’: geschilderd in 1622 op 5-jarige leeftijd. Daarnaast hangt het eveneens uit 1622 daterende portret van Sixtus, zijn broertje van 2 jaar. Dit kindje met een aandoenlijk lief gezichtje is van top tot teen in het wit gekleed: een lange witte jurk, witte kraag, wit mutsje. Om zijn hals draagt hij een kruisje, met zijn linkerhand houdt hij een broodje vast. ‘Hij was, zoals in veel welgestelde katholieke families gebruikelijk was, voorbestemd voor een kerkelijke loopbaan’, staat in de tentoonstellingscatalogus te lezen. ‘Mogelijk verwijst het broodje in zijn hand naar de eucharistie.’ De portretten hebben eeuwenlang in de voormalige Liauckemastate te Sexbierum gehangen. Nu maken ze nu deel uit van de collectie van het Fries Museum.

Johannes en Sixtus met in de bovenhoeken de familiewapens van de familie Van der Laen en Van Liauckema.
Foto: Rembrandt en Saskia, liefde in de Gouden Eeuw, tentoonstellingscatalogus.

Johannes en Sixtus dus, de oudste en tweede zoon van de Vlaamse Dierick van der Laen en de Friese Tryn van Liauckema. Een vijfjarige krijgsman, een tweejarige priester. Het is absurd en prikkelt de nieuwsgierigheid. Wat was dat voor familie, die Van Liauckema’s? Waar stonden zij voor? En wat bracht de  Friese Tryn van Liauckema ertoe om – tegen alle verwachtingen in – met een Vlaamse edelman te trouwen? Om daarachter te komen, moeten we twee generaties in de tijd teruggaan, naar de grootvader van Johannus en Sixtus, Jarich van Liauckema. Jarich leek voorbestemd om de state in Sexbierum te erven, waarmee hij een belangrijke positie in het bestuur van Friesland zou verwerven. Maar het liep anders.

Hachelijke tijden

Het terrein van de Liauckemastate met poortgebouw is er nog ten noordwesten van Sexbierum, in de buurt van Franeker. De state zelf werd in 1824 afgebroken. Vanaf de rand van het dorp kun je het oude landgoed nog goed zien liggen: een terrein met hoge boomsingels in een wijds en kaal landschap van grasland en geploegde akkers. Verderop is de hoge Deltadijk zichtbaar. In de 17de eeuw, toen er nog minder land was ingepolderd, moet de state vlak aan zee hebben gelegen.

Het poortgebouw van de (oorspronkelijk uit 1398 daterende) Liauckemastate bij Sexbierum.
Foto: Wike de Boer, 2019

In gedachten stel ik het me voor: hoe Jarich van Liauckema (20) en zijn vader Schelte (59) in 1579 door de weilanden van de state naar de Waddendijk lopen. Het waait er, zoals altijd. Het is voorjaar, kieviten buitelen in de lucht, zwaluwen vliegen met snelle bewegingen om hen heen. De landerijen van de Liauckema’s strekken zich in de wijde omtrek uit. ‘Altijd ruik je de zeelucht hier,’ zegt Schelte tegen zijn zoon, ‘wij hebben veel aan de zee te danken. Nergens is de klei, het slib dat de zee in vroeger eeuwen op het land achterliet, zo vruchtbaar als hier. Het heeft ons alles gebracht: onze bezittingen, onze boerderijen, onze state.’ Even later klimmen ze de dijk op. Ver achter de grijze golven ligt de horizon. ‘Wat ligt de zee er vandaag rustig bij’, merkt Jarich op. ‘Je kunt haast niet geloven dat er een oorlog gaande is, een strijd om ons land, om ons geloof.’ ‘Het laat de zee koud’, bromt Schelte.

Als een ramp ervaren ze het: de opstandelingen die kloosters en kerken beroven en de beelden van heiligen kapotslaan, dreigen het nu ook in Friesland voor het zeggen te krijgen. Alles wat hun heilig is: hun positie in het bestuur, hun familie, de katholieke kerk loopt gevaar. Schelte wil trouw aan de koning blijven, maar hij voelt zich te oud om te vechten. Jarich moet nu de kerk en de familie-eer verdedigen. ‘Het zijn vreemde tijden’, verzucht Schelte. ‘Maar jij bent mijn erfgenaam, jij hebt recht op de state. De Liauckemastate met de landerijen gaan altijd over op de oudste zoon. Dit is het zogenaamde Liauckemavoordeel. Epe Liauckema heeft dat vroeger in zijn testament vastgelegd. Laat niemand je dit ontnemen, je moet er altijd aan vasthouden.’ In een ernstige stemming lopen ze terug. De spits van de Sixtuskerk in het dorp steekt nog net boven de boomsingels van de state uit.

Met die kerk en het katholieke geloof is hun familie vanouds sterk verbonden. Een van hun voorvaders, Eelco, abt van het norbetijner klooster te Midlum, is in de 14de eeuw zelfs als martelaar gestorven en heilig verklaard. Monniken uit het naburige Boksum sloegen hem dood, omdat hij hun te streng en te vroom was.

Ballingschap

Eeuwenlang hadden de Liauckema’s de streek gedomineerd. Maar nu was Schelte op de state niet veilig meer. In 1579 zag hij zich gedwongen in ballingschap te gaan. Samen met zijn vrouw week hij uit naar het katholieke Oldenzaal. Ook voor Jarich werd de grond te heet onder de voeten. Hij besloot zich bij de noordelijke regimenten van het Spaanse leger aan te sluiten. Zijn jongere broer Sixtus, die tot katholiek priester werd opgeleid, was al eerder van huis weggegaan. Alleen de oudste zuster, Sjouck, bleef op de state achter.

Kort daarna werd de ergste vrees van Schelte en Jarich bewaarheid. De Staten van Friesland besloten in 1580 de kant van Holland te kiezen. De aanhangers van Oranje kwamen in Leeuwarden aan de macht. De Friese kloosters en hun bezittingen werden in beslag genomen. De Liauckemastate werd door de watergeuzen overvallen, geplunderd en in brand gestoken. Ongeveer duizend katholieke geestelijken en autoriteiten zochten een heenkomen in de stad Groningen. Die stad had zich in 1580 aan de katholieke zijde geschaard. Hoe zou dit aflopen?

Bronnen

Een ode aan naald en draad

Lilian Eefting

Veel aandacht krijgen ze niet. Sterker nog: vaak wordt er een beetje lacherig om gedaan. Niet zo gek dat de mensen die ze gemaakt hebben er dan maar het zwijgen toe doen. Terwijl er uren en uren toewijding, creativiteit, precisie en soms zelfs een belangrijke boodschap in zit verwerkt. Het zijn levensverhalen vervaardigd met naald en draad.

Uitsnede van het Tapijt van Bayeux
Lees verder

Een monument voor granen, zaden en peulvruchten

Door Wike de Boer

Onophoudelijk kom je ’m tegen op boekenleggers, stadsgidsen en ansichtkaarten: een foto van de Korenbeurs met de Aa-kerk op de achtergrond. Het is een van de bekendste stadsgezichten van Groningen. De Korenbeurs is eenvoudigweg niet over het hoofd te zien. Het gebouw heeft iets weg van een Griekse tempel. Vier enorme zuilen met Korinthische kapitelen dragen een driehoekig dak. Beelden van Ceres, de godin van de vruchtbaarheid en Neptunus, de god van de zeevaart staan in nissen naast de toegangsdeuren. Op de nok van het dak bevindt zich een beeld van Mercurius, de god van de handel. Met een gevleugelde staf in zijn hand en de wereldbol aan zijn voeten zingt hij de lof van de markt en de vrije handel. DE KORENBEURS: op de brede witte kroonlijst die over de hele gevel van het gebouw heenloopt, staat het in hoofdletters geschreven.

De Korenbeurs met de Aa-kerk op de achtergrond
Foto: Gouwenaar, rijksmonumenten.nl
Lees verder

Verloren in de geschiedenis (II)

Joost Demmink

Na een onbeduidende ruzie met landwachter Douwe Wijnalda, in augustus 1944, werd aardappel- en fruithandelaar Klaas Dijkstra uit Harkema gearresteerd en met tussenstops in Groningen en Amersfoort afgevoerd naar concentratiekamp Neuengamme, bij Hamburg. Daar arriveerde hij op 10 september 1944. Wat daarna met hem gebeurde, is 75 jaar later nog steeds gissen. Drie aanwijzingen geven een glimp van wat er gebeurd kan zijn. De eerste, een trouwring die na de oorlog aan zijn vrouw bezorgd werd, belooft weinig goeds. De tweede aanwijzing, zijn portefeuille die in de jaren negentig door het Rode Kruis werd opgespoord, suggereert vanwege de vindplaats dat Klaas tot het einde in Neuengamme bleef en niet doorreisde naar een ander kamp. De derde en laatste aanwijzing is het ontbreken van Klaas’ naam in de zogenoemde “Totenbücher” van het kamp. Dat suggereert dat hij op 15 maart 1945 nog in leven was.
Zeker is alleen dat Klaas nooit terug kwam.

Zicht op Lübecker Bocht bij Neustadt. Op deze plek verging de Cap Arcona.
Foto: Joost Demmink, augustus 2019
Lees verder

Verloren in de geschiedenis (I)

Joost Demmink

Paniek, verzengende hitte, duisternis en oorverdovende explosies. IJzingwekkend moeten ze geweest zijn, de laatste momenten van aardappel- en fruithandelaar Klaas Dijkstra uit Harkema. Tenminste, als hij zich daadwerkelijk bevond op de plek waar hij volgens de officiële lezing zijn einde vond. Die versie van het verhaal vertelt ons dat hij zich in het ruim van een van de schepen bevond toen de eerste Typhoons van de Royal Air Force op 3 mei 1945 hun aanval in de Lübecker Bocht inzetten. Doelbewust zouden ze op die koude donderdagmiddag de schepen Thielbek en Cap Arcona tot zinken brengen. Meer dan 7000 mensen – grotendeels gevangenen uit Duitse concentratiekampen – kwamen om.

Lübecker Bocht
Foto: Joost Demmink, augustus 2019
Lees verder

Het keukenraam van doña Ana

Lilian Eefting

In de smalle kronkelstraten van het oude centrum van het Spaanse Granada, vol hoge huizen volgeplakt met gietijzeren balkonnetjes die elkaar soms lijken te verdringen op de oude muren, steekt plotseling een buitenproportioneel grote, zwartglanzende neus van een auto naar voren. Achter het stuur zit een buitenproportioneel kleine man, die verwoede pogingen doet zijn trots ongeschonden uit de garage en op het straatje te krijgen. Hoe graag hij het ook zou willen, het lukt hem niet alleen. Even verderop staat zijn vrouw.

Lees verder

‘Alsof men alles loslaat’

Door Marike Goossens

Achteraf bezien klinkt de titel van zijn laatste dichtbundel als een voorbode van zijn dood. In de zomer van 2018 verscheen Alsof men alles loslaat en op 19 december van datzelfde jaar overleed Michaël Slory. Veelal geroemd als Surinaams grootste dichter, maar ook bekend om zijn sjofele, voorovergebogen gestalte slenterend door de straten van Paramaribo om zelfgedrukte dichtbundels te verkopen.

In Nederland kennen weinigen zijn naam. Hij debuteerde in 1961 met de politieke dichtbundel Sarka/Bittere strijd, over de onafhankelijkheidsbewegingen in Afrika en in het bijzonder Nigeria; na enkele jaren gevolgd door Brieven aan de guerrilla en Brieven aan Ho Tsji Minh. Jaren later verschenen alleen nog de bloemlezingen Ik zal zingen om de zon te laten opkomen (1991) en Torent een man hoog met zijn poëzie (2012). Een opmerkelijk korte lijst voor een man die zijn leven schrijvend doorbracht en bijna zestig jaar lang stukken publiceerde.

Michaël Slory
Foto: Werkgroep Caraïbische Letteren

Van Coronie

Michaël Arnoldus Slory werd op 4 augustus 1935 geboren in het slaperige stadje Totness, hoofdstad van het Surinaamse district Coronie, bekend om zijn kokospalmen. Het was een gelukkig kind, al vond zijn moeder dat hij soms te veel piekerde. Zijn vader wilde dat er wat van hem worden zou en stuurde hem naar school in Paramaribo. In een documentaire uit 1996 vertelt Slory dat hij soms huilde als hij weer naar de stad moest. ‘Wanneer het vakantie was, nou zo vlug mogelijk weer terug naar Coronie. Ik keek verlangend naar de kalender, dan was het rapport er, even nog rondkijken, een of twee of drie dagen en dan wegwezen.’

Naar Nederland

In Nederland volgde hij de studie Spaans, die hij niet afmaakte, en in 1970 keerde hij terug naar Paramaribo, de hoofdstad van zijn geboorteland. Hij deed dit op een moment, vijf jaar voordat de onafhankelijkheid uitgeroepen werd, dat velen Suriname juist verlieten. Jaren later, terugkijkend, vroeg hij zich af: ‘God, hoe is het mogelijk dat ik heb uitgeblonken op de Paulusschool, uitgeblonken op de AMS, uitgeblonken op de universiteit in Nederland en ook prijzen heb gewonnen en dat je dan toch zo’n leven moet slijten en moet doodgaan.’

Naar Paramaribo

Eenmaal terug in Suriname koos hij er bewust voor om in het Surinaams te schrijven. ‘Ik kwam met al die energie van: weg met het kolonialisme, vóór socialisme, vóór algemeen belang en vóór het land. Ik probeerde het Sranantongo door alles heen te blijven verdedigen. Want ik vond dat het zonde was dat die taal weggegooid werd.’ Slory publiceerde zelf zijn bundels, soms wel drie per jaar, vaak in oplagen van 2.000 exemplaren. Volgens eigen zeggen heeft hij ‘een offer gebracht’ voor de Surinaamse taal, ‘je moest blijven zwoegen.’
Toch is het een opgewekte en gevatte Slory die in de documentaire En nu de droom over is zijn dichtbundels aan de man brengt. ‘Tweeduizend gulden, is het veel?’ vraagt hij de vrouw die keurend door zijn boekje bladert. Fijntjes herinnert hij haar eraan dat mensen zo vijf- of zesduizend Surinaamse gulden uitgeven voor een avondje uit in het theater Thalia of het Anthony Nesty Stadium. ‘Nou, een boekje – dat kun je toch een hele tijd gebruiken.’

‘Absolute dichter’

Van Kempen, hoogleraar Nederlands-Caribische literatuur, samensteller van de vorig jaar verschenen bloemlezing en goede bekende van Slory noemt hem een absolute dichter. ‘Het hele leven was voor Slory poëzie, niet de franje aan de samenleving, maar het hart van de samenleving.’ Bovendien was hij in staat om over van alles te dichten. ‘Niets was hem te min. Bijvoorbeeld het vuil in de straten. Je kunt je moeilijk voorstellen dat iemand dat hier doet. Maar hij deed dat.’

Slory schreef graag en veel over de maatschappij, over zijn geliefde Suriname en over de liefde. Vooral in dichtvorm en soms in proza zoals zijn bijdragen in het Surinaamse dagblad De Ware Tijd. Maar met zijn inzet voor de Surinaamse taal is, zo vermoedde hij zelf, de liefde in zijn eigen leven erbij ingeschoten. Hij hoopte altijd ‘een deugdelijk leven te kunnen leiden met een vrouw, maar het is er niet van gekomen want ik liep maar Sranantongo te verkopen en dat offer te brengen.’

Bejubeld en miskend

Als dichter wordt hij door kenners geprezen en bejubeld, in zijn leven heeft hij zeven literaire prijzen in ontvangst mogen nemen (waaronder de Surinaamse Staatsprijs voor Literatuur 1983-1985) en uiteindelijk is hij met staatseer begraven. Maar hij voelde zich onbegrepen en miskend. Hij kon maar met moeite rondkomen van zijn literaire talenten, hij sjouwde onophoudelijk door de straten van Paramaribo met zijn gedichten onder de arm en hij voelde de meewarige blikken van zijn stadgenoten in zijn rug. Had hij liever wat minder prijzen en wat meer erkenning gekregen?

‘Deze dag’
Deze dag
geeft zoveel pijn.

Niet wilde ik
ooit zo zijn.

Ben jij soms
het medicijn?

Maar de bomen
zo onbewogen.

Zelfs de wind
heeft mij belogen!
Ben jij soms
het medicijn?

Nooit wilde ik
ooit zo zijn.

Met het overlijden van Michaël Slory is niet alleen een einde gekomen aan de woordenvloed van een groot dichter maar is ook de hoop vervlogen om deze bijzondere man ooit nog eens tegen het lijf te lopen in de straten van Paramaribo.

‘Afscheid van de doden’
Geurig het afscheid.
Geurig het avondlicht
waar de boot vertrekt
voor altijd.
O dit leven
dat gaat en gaat,
en nooit weerkeert
en nooit weerkeert
O mogen mijn woorden zijn als bloemen
in het zacht wegkwijnend licht
O dat zij daar van gene zijde
ons eens zenden een bericht!

Bronnen

“Je zoekt je ouders niet uit, maar ook je land niet”

De ontworteling van een Silezische familie

Door Lilian Eefting

Er is veel bekend over wat er tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog in Nederland plaatsvond, maar van de gebeurtenissen in andere landen weten we zo goed als niets. Laura Starink brengt daar op indringende wijze verandering in met haar boek ‘Duitse wortels’ (2013).

Duitse wortels – Mijn familie, de oorlog en Silezië
Lees verder