De lievelingsthema’s van Wladimir

Door Wike de Boer

‘Wij leven in een tijdperkje waarin overwegend kunstzinnig gehandicapten elkaar van opdrachten voorzien, terwijl ze alsmaar massaal staan te schreeuwen om reclame makende vernieuwingen zonder dat ze willen of kunnen beseffen dat ware kunst tijdloos is. En dat is trouwens iets waaraan ze niet kunnen tippen.’ Aldus de Groningse beeldhouwer Wladimir de Vries (1917-2001).

Wladimir de Vries liet zich niet meeslepen door experimentele stromingen of moderne trends. Abstractie, minimal art of assemblagekunst, het was aan hem niet besteed. Wladimir koos zijn eigen weg. Hij legde een duidelijke voorkeur voor figuratieve kunst aan de dag, vrouwen en dieren waren zijn lievelingsthema’s. Het Veulen, Blote Bet en de Wisent, het zijn enkele van de bekendste beelden van de stad Groningen en Wladimir maakte ze alle drie. Maar wie kent hem, wie weet dat?

Wladimir de Vries.
Ontleend aan het boek ‘Wladimir de Vries’ van Elly Koen en Francien Nouwt
Lees verder: De lievelingsthema’s van Wladimir

Als kunstenaar geboren

Hendrik Wladimir Albrecht Ernst de Vries werd in 1917 geboren in een schippersgezin. Zijn statige voornamen had hij te danken aan de traditie in schipperskringen om de zevende zoon naar een lid van het koninklijk huis te vernoemen. Daarom kreeg hij bij zijn geboorte de namen van de echtgenoot van koningin Wilhelmina: prins Hendrik, die voluit Hendrik Wladimir Albrecht Ernst heette.

Wanneer de familie De Vries op de Groninger tjalk ‘Godt* met ons’ op de Noordzee of op de Oostzee voer, was de jonge Wladimir veel aan het tekenen. Het was voor hem later nooit een vraag wat hij zou worden. Want: ‘je wordt als kunstenaar geboren, of niet‘, vond hij. Hoewel hij het liefst naar de kunstacademie wilde, volgde hij op advies van zijn ouders eerst een opleiding aan de kweekschool. Maar toen hij er enkele jaren kweekschool op had zitten, meldde hij zich in 1938 alsnog aan voor de Groningse kunstacademie Minerva. Hij was toen 21. Op de academie Minerva kreeg hij een brede opleiding met veel verschillende vakken. Hij volgde onder andere lessen bij Willem Valk, de man die in die tijd min of meer als stadsbeeldhouwer van Groningen te boek stond. De Vries leerde veel van hem en werd al gauw een van zijn meest getalenteerde leerlingen. Hoewel hij aanvankelijk schilder wilde worden, koos hij uiteindelijk toch voor het beeldhouwen. Zijn voornaam Hendrik gebruikte hij niet meer. Zijn tweede naam was meer een artiestennaam, vond hij. Ook zijn achternaam liet hij meestal weg. Hij stelde zich voortaan voor als Wladimir.

* De grootvader van Wladimir had zijn schip ’Godt’ met een t genoemd. Er voeren wel meer schepen met de naam ‘God met ons’, maar er was maar één ‘Godt met ons’.

Toen hij in 1941 van de kunstacademie kwam, kon hij – midden in de oorlog – niet meteen aan een carrière beginnen. Iedere kunstenaar die zijn beroep wilde uitoefenen moest van de Duitse bezetter lid van de Kultuurkamer worden. De Duitsers wilden de pers en de kunstenwereld onder controle houden. Omdat Wladimir weigerde om tot de Kultuurkamer toe te treden, kon hij pas na de oorlog als beeldhouwer aan de slag. Hij assisteerde zijn leermeester Willem Valk, die in de oorlog actief was geweest in het kunstenaarsverzet, bij het vervaardigen van enkele oorlogsmonumenten. Dat leverde hem zelf vervolgens ook de nodige opdrachten voor oorlogsmonumenten op. Zijn eerste beeld was een gedenkteken voor Winsum (een vogel, 1947). Daarna volgden Zevenhuizen (een staande naakte jongensfiguur, 1948), Wildervank (een half liggende naakte mannenfiguur, 1949) en Wedderveer (een staande vrouw met ontbloot bovenlichaam, 1950). Wladimirs voorkeur voor figuratieve kunst, voor ‘bloot’ en voor beelden van dieren en mensen was van meet af aan duidelijk.

Het veulen

In 1949 nodigde de gemeente Groningen drie jonge kunstenaars uit om een ontwerp in te dienen voor een beeld aan de Radesingel ter vervanging van een vervallen fontein met een paardendrinkbak. Ook De Vries kreeg een uitnodiging. Hij kende de plek, het was de bedoeling dat het beeld in een grasperk zou komen te staan. Het leek hem een geschikte plek voor een veulentje. Toen de kunstenaars hun voorstellen aan het gemeentebestuur voorlegden, kreeg het ontwerp van Wladimir de voorkeur. Met veel geduld en precisie boetseerde hij in zijn atelier in Haren het beeld dat hij voor ogen had: een paardje met mooie rondingen dat hoog op de benen stond. Ter afwerking drukte hij kleine platte ‘dubbeltjes’ van klei in zijn model. Hij wilde per se niet dat het veulen een glad, koud oppervlak kreeg. Het beeld zou in brons gegoten worden en de ‘dubbeltjes’ zouden zorgen voor een mooie, levendige huid met subtiele verschillen in licht in schaduw.

Veulen, 1951, brons.
Foto: Wike de Boer

Het resulteerde in een levensgroot paardje, een veulentje ‘van vier maanden oud’, aldus Wladimir. Het was een beeld waar hij bijzonder aan gehecht was.

Nadat het Veulen in 1951 aan de Radesingel was geplaatst, trok het al snel de aandacht. Voorbijgangers zagen er een kleinere versie van het peerd van ome Loeks in en binnen de kortste keren had het veulen een bijnaam gekregen: ‘peerdje Loeks’. Wladimir was er absoluut niet blij mee. Volgens hem had het levenslustige veulen totaal niets te maken met het ‘helemaal dode peerd van ome Loeks’. Willem Valk, zijn leermeester van Minerva, dacht er net zo over. In een ingezonden stuk in het Nieuwsblad van het Noorden schreef Valk dat ‘de jonge talentvolle beeldhouder Wladimir de Vries (…) een verheugend mooi werk tot stand heeft gebracht. Geen peerd van Ome Loeks zoals ’t flauwe grapje gaat maar een jong en edel diertje dat vreugde geeft om te zien, dat de mens eens los maakt uit zijn dagelijkse sleur en weer vaste grond onder de voeten geeft.’

De bewoners van de Radesingel raakten bijzonder gehecht aan het beeld. Voor hen hoorde het veulen er helemaal bij. Ze beschouwden het als ‘hun paardje’, dat ze nooit en te nimmer meer kwijt zouden raken. Maar dan hadden ze buiten Wladimir gerekend. In de tachtiger jaren zag hij met lede ogen aan hoe de omgeving van het paardje steeds verder verslonsde. Stoelen en bankjes ontnamen het zicht op het beeld en in plaats van gras had het beeldje steen om zich heen gekregen. Het was hem een doorn in het oog en hij stond erop dat het beeld verplaatst werd. Want, zo vond hij: ’het veulen is ontworpen voor het open gras en niet voor rotzooi om zich heen.’ Uiteindelijk, in juni 1989, wist hij het voor elkaar te krijgen dat het beeld door de gemeente werd weggehaald. De toen 71-jarige Wladimir zag er persoonlijk op toe hoe het veulentje met een hijskraan van de Radesingel werd getakeld en een eindje verderop in de middenberm van de Herensingel belandde. ‘Bronzen veulen naar andere wei’, kopte het Nieuwsblad van het Noorden. De bewoners van de Radesingel reageerden met woede en verbijstering. ‘Voor mij is dat paardje gaan leven,’ vertelde één van hen aan de krant. ‘Voor mij symboliseert het vertrouwen en hoop en optimisme.’ Binnen de kortste keren werd er een actiecomité opgericht, de bankjes en stoelen werden opgeruimd, de stenen verdwenen. In oktober 1989 keerde het veulen terug in het vertrouwde gras van de Radesingel. Voor de bewoners was het geluk weergekeerd. Maar de bijnaam ‘Lutje Loeks’, de naam die Wladimir zo tegenstond, is het veulentje nooit helemaal kwijtgeraakt.

Blote Bet

De stedenmaagd/Landbouw en veeteelt, 1953, brons.
Foto: Wike de Boer

In 1952 had de gemeente Groningen een nieuwe, prestigieuze opdracht voor Wladimir in petto. De oude draaibrug bij de Hereweg was in de oorlog beschadigd geraakt en was niet meer berekend op het snelgroeiende autoverkeer. De brug vormde een ware bottle neck. Alleen een nieuwe brug kon het probleem verhelpen. De nieuwe verbinding moest een visitekaartje voor Groningen worden: een mooie, goed functionerende brug met een kunstwerk waarvan iedereen zou kunnen genieten. Er was ook geld beschikbaar. Eén tot anderhalf procent van de totale bouwsom van rijksgebouwen (zoals scholen en bruggen) kon namelijk voor kunstwerken worden gebruikt. Op grond van deze uit 1951 daterende ‘percentageregeling voor beeldende kunst’ konden gemeenten het geld besteden aan beelden, wandschilderingen, mozaïeken en reliëfs. Voor de brug, die de belangrijkste entree naar de oude binnenstad vormde, maakte de gemeente er graag gebruik van.

In de opdracht die Wladimir de Vries van het gemeentebestuur kreeg, stond dat het een zinvol beeldhouwwerk moest worden, met een duidelijke verwijzing naar de gemeente Groningen. Wladimir besloot daar een eigen invulling aan te geven. Hij kwam met het ontwerp voor een bronzen naakt vrouwenbeeld, een jong, onbevangen meisje in een fiere houding. Om toch aan de opdracht van een zinvol beeld te voldoen, stelde hij voor dat zij als stedenmaagd symbool zou staan voor de stad Groningen. Om de connectie met de stad nog verder te benadrukken gaf Wladimir het beeld de titel ‘Landbouw en veeteelt’ mee. Korenaren en een jong kalfje nam hij in zijn ontwerp op. Een vertegenwoordiging van de gemeente die het ontwerp in het atelier in Haren kwam bekijken, reageerde enthousiast. Men vond het een mooi beeld. Alleen de KVP-wethouder merkte bezorgd op: ‘Blijft dit beeld zo naakt, schilder?’

Opening van de Herebrug

Het was een grote dag toen burgemeester Jan Tuin met een chique hoed, een lange jas en een modieus strikdasje op 20 december 1953 met een druk op de knop de nieuwe brug opende en de slagbomen omhooggingen. Daarna stak de burgemeester als eerste de brug over. Op het noordelijke bruggenhoofd lieten twee herauten te paard klaroengeschal klinken. Daarna kon iedereen luisteren naar een gedicht in de Groningse taal dat Jan de Boer speciaal voor de gelegenheid gemaakt had. Vlaggen wapperden. Een mannenkoor bracht het Grunnings laid ten gehore en de burgemeester begroette een jonge stedenmaagd die bij het Hereplein op een hoge troon had plaatsgenomen. De burgemeester van Haren kreeg de handen op elkaar toen hij gewag maakte van een ‘nieuwe verbinding van hart tot hart’ die tussen Haren en Groningen tot stand was gekomen. Er was geen aparte plechtigheid voor de onthulling van het standbeeld, maar burgemeester Tuin sprak vol trots over een nieuwe stedenmaagd: ‘een zinnebeeld van de eenheid van Stad en Ommelanden’. Toen alle plechtigheden voorbij waren, volgde er een optocht over de nieuwe brug. Maar liefst 130 groepen stonden bij de Helperoostsingel opgesteld. Muziekkorpsen, verenigingen, fietsers op vélocipèdes, sporters, afvaardigingen van bedrijven en vooral veel auto’s trokken aan de autoriteiten op het Herenplein voorbij. De toeschouwers stonden er zes rijen dik naar te kijken. De hele stad vierde feest.

Hevige discussie

Landbouw en veeteelt.
Foto: Wike de Boer

Het enthousiasme voor de brug was groot, maar het grote naakte beeld riep veel discussie op. De stadjers konden er met geen mogelijkheid een symbolische stedenmaagd in zien. Daarvoor waren de blote billen en borsten van het beeld te duidelijk aanwezig. Bovendien: de benen van het meisje waren te stevig en haar boezem juist weer te plat. Ja, ze had om haar middel een band van korenaren. Maar landbouw en veeteelt: was dat geloofwaardig? Met zo’n kalfje dat in de verdrukking kwam? Bij veeteelt zou je toch eerder een welgedane koe verwachten? Wat moest je met al die hoogdravende namen, terwijl ‘naakt’ de eerste indruk was? Het duurde niet lang of het beeld had er nog een naam bij gekregen: ‘Blote Bet’ – niks geen symbool, maar een gewone (volks)vrouw.

Wladimir was ook niet helemaal tevreden. Hij vond de uitvoering in brons minder geslaagd: ‘Het prille van het ontwerp heb ik in het grote beeld niet vast kunnen houden’, zei hij er later over.

Het beeld was omstreden, het regende ingezonden stukken in de krant. Blote Bet werd het voorwerp van vernedering en smaad. Nog in 1970 schreef het Nieuwsblad van het Noorden dat er regelmatig bamiballen en halve worsten tegen het beeld werden gegooid. Waarna de gemeente de rommel weer kon opruimen. Wat een gedoe, maar toch: de Stedenmaagd, alias Landbouw en veeteelt, bijgenaamd Blote Bet overleefde de tijd. Nog altijd staat ze hoog op de Herebrug, haar enigszins stijf aandoende silhouet tekent zich van ver tegen de lucht af, met dat been dat in een rechte hoek staat. Als je er wat langer naar kijkt denk je: ‘Nee, “Blote Bet”, dat is het ook niet. Daar is het beeld veel te elegant voor.’

Wisent

Van alle stenen beelden die Wladimir de Vries vervaardigde, is de Wisent het bekendste voorbeeld. Dit keer geen lieflijk veulentje maar een ruige oeros, een dier dat de mens al vanaf prehistorische tijden wist te fascineren. Wladimir creëerde dit beeld in het kader van de Beeldende Kunstenaars Regeling (BKR) waarvan hij vanaf 1971 gebruikmaakte. De essentie van de BKR, oftewel de ‘contraprestatieregeling’ was dat een kunstenaar die niet in staat was om met de verkoop van zijn kunstwerken in zijn onderhoud te voorzien, een inkomen kreeg in ruil voor een artistieke tegenprestatie. Het rijk (ministerie van Sociale Zaken) nam 95 procent van de kosten op zich, gemeenten die aan de BKR deelnamen betaalden 5 procent. De gemeenten voerden de regeling uit, een kunstcommissie beoordeelde of een kunstwerk wel of niet werd aangekocht. De gemeente Groningen had heel wat kunstenaars binnen de grenzen en behoorde met Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Arnhem tot de grootste gebruikers van de regeling. Voor Wladimir betekende de BKR dat hij ongestoord kon werken. Door de BKR kon Wladimir zijn eigen gang gaan zonder zich veel van de heersende mode aan te trekken en dat was wat hij het liefst wilde.

Dagenlang hakken

De opdracht voor een wisent die hij van de gemeente Groningen kreeg, zou een klus van jewelste worden. In mei 1972 arriveerde een zeventien ton wegend blok muschelkalksteen (schelpenkalksteen, afkomstig uit Duitsland) bij Wladimirs atelier in Haren. Aan de hand van een ontwerp in klei zou Wladimir daaruit zonder hulp van anderen en zonder elektrisch gereedschap een wisent vervaardigen. Het vergde een enorme krachtinspanning. Het kappen en hakken was zo zwaar dat Wladimir een zenuwontsteking opliep en enige tijd niet kon werken. Maar toch ging hij door. Dag in dag uit bewerkte Wladimir de harde steen met stalen hamers, kloppers en beitels.

Nadat hij ongeveer vijfduizend ton steen had weggehakt, kwam de gestalte van een wisent uit de steen tevoorschijn: drie meter hoog, twee meter lang met een gewicht van meer dan tien ton. Een beest met lange, woeste haren, krachtige poten en een zwaar, massief lichaam.

Wisent.
Foto: Wike de Boer

In 1976 was het werk klaar en kon Wladimir het beeld aan de gemeente Groningen overdragen. De Wisent zou voor de Evenementenhal (nu Martiniplaza) in Groningen komen te staan. Maar toen er een haarscheurtje in het beeld werd ontdekt, wilde men het niet meer buiten plaatsen omdat de kalksteen door de inwerking van vorst en water zou kunnen splijten en afbrokkelen. Jarenlang leidde De Wisent een verborgen bestaan, totdat het Cultureel Centrum De Klinker het beeld in 1980 naar Winschoten haalde voor de tentoonstelling ‘Groningen monumentaal’. Daar maakte de Wisent, die als blikvanger bij de ingang stond, grote indruk.

Nadat was aangetoond dat het toch buiten kon staan, wilde zowel Winschoten als Rotterdam het beeld graag hebben. Maar dat kon de gemeente Groningen natuurlijk niet laten gebeuren! Het haarscheurtje dat voor zoveel oponthoud had gezorgd, bleek uiteindelijk een ‘blessing in disguise’ te zijn. Want nu werd voor het beeld een passende natuurlijke omgeving in gevonden: het Noorderplantsoen. Na twee jaar keerde de 11 ton wegende oeros uit Winschoten terug naar Groningen. In 1982 werd De Wisent met een hijskraan op een betonsokkel in het park geplaatst op een plek waar niemand het kan missen. Nu is het voor veel Groningers ‘een beeld waar ik elke dag langs fiets.’ Een ruige stenen kolos die de elementaire kracht van de natuur belichaamt.

Een oeuvre van krachtige lijnen

Wladimir werkte door tot zijn pensioen in 1983. Toen vond hij het welletjes. Hij had genoeg gehakt in zijn leven. Het was hard werken geweest. Hij had zich vol overgave op het ambacht gestort en was – tegen de tijdgeest in – in figuratieve stijl blijven werken.

Het oeuvre van De Vries is breed: het omvat gevelstenen, mozaïeken, muurplastieken en verzetsmonumenten. Daarnaast maakte hij veel vrijstaande beelden in brons of natuursteen. Zijn werk is vooral te vinden in de provincies Groningen, Friesland en Drenthe.Dieren en jonge vrouwen bleven gedurende heel zijn carrière zijn favoriete thema’s, waarbij zij aangetekend dat zijn ‘meisjes’ in de loop van de tijd voller en ronder werden. Eén van zijn laatste beelden uit 1981, Amazone, is daarvan een treffend voorbeeld. Opnieuw koos hij hier – net als in het begin van zijn loopbaan – voor een veulen en blote vrouw.

Amazone, 1981, kalksteen.
Foto: Wike de Boer

Ditmaal gaat het om een liggend veulentje zoals je ze op een lentedag in de wei kunt zien, met een naakt jong meisje omgekeerd liggend op de rug van het dier. Een symbiose van vrouw en paard, een combinatie van zijn lievelingsthema’s.

In tegenstelling tot het Veulen, Blote Bet of de Wisent is Amazone niet erg bekend. Misschien komt dat omdat het beeldje niet zo groot is of omdat het niet in de binnenstad staat maar in een parkje bij Ruischerbrug een plek heeft gekregen. Toch is het een ‘typische Wladimir.’ Het was hem er altijd om te doen de essentie van een onderwerp weer te geven: de kracht en vitaliteit van dieren, het pure van de jeugd, de prille schoonheid en sensualiteit van jonge vrouwen. Sierlijke en krachtige lijnen kenmerken al zijn werk. Wladimir de Vries heeft Groningen aan enkele van zijn meest geliefde beelden geholpen.

Bronnen

Koen, E. & F. Nouwt (2006). Wladimir de Vries. Groningen: Stichting Behoud Beeldende Kunsten.
Nieuwsblad van het Noorden (via www.delpher.nl):

  • Paardenbak wordt paard (23 februari 1950).
  • De Radesingel kan voortaan Paardesingel heten (15 maart 1951)
  • Met klaroengeschal Herebrug feestelijk in gebruik genomen (21 december 1953).
  • Wat verdwijnt en komt op de Radesingel, ingezonden stuk Willem Valk (21 december 1959)
  • Bet (28 mei 1970)
  • Beelden zat in de stad maar niemand die ze ziet (13 april 1973)
  • Wisent tijdelijk naar Winschoten (3 juni 1980)
  • Plaatsing van wisent in het Noorderplantsoen (25 maart 1982)
  • Bronzen veulen naar andere wei (29 juni 1989)
  • Bewoners van de Radesingel willen paardje terug (22 juli 1989)
  • Paardje terug naar Radesingel (19 oktober 1989)
Websites

www.filmbankgroningen.nl/archief/av14111/ Rondom de Herebrug, Henk Weit, verslag van de plechtige opening van de Herebrug op 19 dec. 1953
www.kunstpuntgroningen.nl/kunst-op-straat/het-veulen
www.kunstpuntgroningen.nl/kunst-op-straat/landbouw-en-veeteelt/
www.kunstpuntgroningen.nl/kunst-op-straat/amazone
www.kunstpuntgroningen.nl/kunst-op-straat/wisent
https://soundcloud.com/user-712687107 Podcast ‘Een monument voor de BKR’. Deel 3: De verhalen verteld
https://nl.wikipedia.org/wiki/Wladimir_de_Vries

Advertentie

Een beetje boffen, uiteindelijk weinig veine

Door Joost Demmink

“Het Comité Monument J.E. Scholten heeft Zaterdag niet geboft en toch ook weer veine gehad”, lees ik in het Nieuwsblad van het Noorden van 7 september 1931. Dat laatste, veine gehad, moet ik toch even opzoeken. Google leidt mij naar een lijvig boekwerk uit 1924 getiteld Nederlandsche Spreekwoorden, Uitdrukkingen en Gezegden. Geluk hebben, lees ik op pagina 392, afgeleid van het Franse avoir de la veine, être en veine.

Want wat wilde het geval? Die zaterdagmiddag zou in het Groningse Stadspark tijdens een groots opgezette plechtigheid een monument onthuld worden voor Jan Evert Scholten, industriebaron, lid van de Eerste Kamer en, zo te lezen, aanjager van zo’n beetje elk zinvol initiatief dat tot aan zijn overlijden in 1918 in Groninger Stad en Ommeland genomen werd. De oprichting van een vereniging die later het Stadspark zou aanleggen is een treffend voorbeeld. Maar helaas, “Om 1 uur kletterde de regen bij stroomen neer en felle bliksemstralen werden dadelijk door ratelende donderslagen gevolgd. ’t Zag er naar uit dat de heele plechtigheid in het Stadspark gedoemd was te verregenen”. Dat is niet boffen inderdaad en het verwondert de verslaggever van dienst – onderweg naar de plechtigheid nog door een “malsch buitje begroet” – dat “het Comité toch den moed heeft gehad om tegenover het Monument in de open lucht zijn vele gasten die de dreigende elementen getrotseerd hadden, te ontvangen.” Maar kort na half drie is kennelijk de veine begonnen. Sprekers noch toehoorders werden door de regen verjaagd, gymnasten defileerden bijna zonder nat te worden (“behalve dan hun voeten”) en ook de jeugdige ballondragers “hebben het nog vrij goed getroffen”. Wat dat laatste precies betekent, is gissen.

Nieuwsblad van het Noorden, 7 september 1931. Veine, want alleen natte voeten voor de gymnasten.

Zelf heb ik aanzienlijk minder veine wanneer ik ruim negentig jaar later bij het Scholtenmonument afspreek met Jan Pestoor, technisch specialist bij Stadsbeheer van de gemeente Groningen. Hoewel het inmiddels al ruimschoots voorjaar heet te zijn, ploeg ik mij onderweg naar het Stadspark door een heuse sneeuwstorm. Een snijdende wind jaagt dikke vlokken in mijn gezicht en de keus om handschoenen thuis te laten – zo kan ik ze ook niet kwijtraken – pakt slecht uit. Gelukkig is Pestoor met een dienstauto van de gemeente naar het monument gereden en ik ga maar al te graag in op zijn uitnodiging plaats te nemen op de passagiersstoel. Door de voorruit kijken we naar een stalen hekwerk met daarachter een gehavend monument. Vooral de vlakken opgevuld met bakstenen waarvoor ooit twee kinderfiguren stonden, zij met knots, hij met discus, bieden een treurige aanblik op deze gure middag. “Hier is wat gebeurd”, zegt Pestoor, doelend op een ernstig incident in september 2020, toen op een vroege zondagochtend een auto hard inreed op het monument. “De klap zelf gaf schade, maar het was vooral de brand die erop volgde.”

Lees verder

Een eeuw vol verhalen in een straatje van 200 meter

De W.A. Scholtenstraat in Groningen

Door Lilian Eefting

De Groningers die je tegenkomt in de W.A. Scholtenstraat zijn altijd onderweg: ze rijden, fietsen of lopen naar of van het centrum, of wachten bij de bushalte. Aan beide zijden van de weg moet je slalommen tussen de fietsen, een signaal dat er achter de gevels ongetwijfeld veel studentenkamers te vinden zijn. De W.A. Scholtenstraat is een kort straatje, een samenraapsel van huisstijlen en woonhuizen met een allegaartje aan ramen, deuren en kleuren. Je treft er nieuwe appartementsgebouwen, maar ook sporen uit het verleden: halverwege de straat aan de even zijde staat een groot gebouw dat vaag doet denken aan een fabriekshal uit oude tijden, her en der tref je op de gevels oude reclame. Tegenover de ‘fabriek’, aan de oneven zijde, vind je de Jeruzalemkerk, daarnaast een woonhuis met kasteelaspiraties, als je afgaat op de drie torens met heuse kantelen. Dit zootje ongeregeld wordt anno 2022 vervolmaakt doordat de weg aan de kop van de W.A. Scholtenstraat opgebroken is. Als het even kan, neem je een andere route – ook al omdat het vanwege al die fietsers, auto’s, bussen en voetgangers niet echt een veilig stukje Groningen is. Toch ken ik deze straat goed: de W.A. Scholtenstraat 22a was 2,5 jaar lang mijn thuis.

De locatie was ideaal: dicht bij het centrum van Groningen, waar ik werkte. Mijn buren waren rustig, de studio was ruim. Aan de straat besteedde ik nooit zoveel aandacht, ook ik ging net als andere passanten zo snel mogelijk naar de stad, zonder een blik te werpen op de gebouwen om me heen. Eigenlijk zonde, want voor een kort straatje als de W.A. Scholtenstraat – nog geen 200 meter volgens Google Maps – heeft het een rijke geschiedenis.

Lees verder

Met niets begonnen: de jonge jaren van Willem Albert Scholten

Hoe een domineeszoon uit de Achterhoek uitgroeide tot de eerste Nederlandse grootindustrieel

Door Wike de Boer

Willem Albert Scholten (1819-1892).
Bron: P.B. Kramer ca 1880, R.H.C. Groninger Archieven 1785-16297

Hartje zomer, Groningen bruist. De terrassen op de Grote Markt zitten vol. Bij het café Willem Albert neemt een jonge serveerster op hippe witte schoenende bestellingen op. Mensen kletsen en drinken terwijl ze ondertussen van het riante uitzicht op de Grote Markt genieten. Sommige terrasbezoekers pakken een menukaart van tafel en bladeren erin. Misschien dat ze ook een blik op een foto van Willem Albert werpen, een man over wie in de menukaart het volgende  geschreven staat:

‘Willem Albert opende zijn eerste aardappelmeelfabriek in Groningen in 1842 in Foxhol. In 1847 verving hij de paarden in zijn fabriek voor een moderne stoommachine. Het bleek een gouden investering die aan de basis stond van zijn succes. Met ongeveer 24 fabrieken in binnen- en buitenland groeide zijn onderneming uit tot de eerste Nederlandse multinational en Willem Albert werd daarmee Nederlands eerste landbouw industrieel.’

Hoe kon hij dat klaarspelen?  

Lees verder

In het spoor van Scholten

Door Wike de Boer en Lilian Eefting

Wie voor een dagje naar Groningen komt, zal het niet direct opvallen. Maar wie wat langer in de stad verblijft, komt op een gegeven moment onherroepelijk de naam ‘Scholten’ tegen: in de W.A. Scholtenstraat, op de Grote Markt of in het Stadspark in het zuiden van de stad. Willem Albert Scholten (Loenen 1819 – Groningen 1892) en zijn zoon Jan Evert (Groningen 1849 – Scheveningen 1918) horen net zo bij Groningen als de Martinitoren of het Peerd van ome Loeks. 

Lees verder

“Omdat in hun donker geen lichtstraaltje viel”

Een verhaal achter de Stolpersteine in de Groningse Westerbadstraat

Joost Demmink

Met een “vaardige ruk aan het touw” – aldus het Nieuwsblad van het Noorden – onthulde op 26 januari 1967 de echtgenote van burgemeester Berger een naamplaat aan de Kraneweg 111 in Groningen. Die gebeurtenis vormde de officiële opening van het Jeanne Godfriedhuis, dat inmiddels al een jaar onderdak bood aan vijftien geestelijk gehandicapte vrouwen en meisjes. Het pand was in 1965 aangekocht door de Vereniging Zwakzinnigenzorg en voorzag in een toenemende behoefte aan min of meer zelfstandige woonruimte voor mensen met een verstandelijke beperking. “De mens is geneigd onaangename zaken niet te willen zien en daarom verdienen degenen die zich voortdurend voor de gehandicapten in zetten onze grootst mogelijke steun en bijval”, sprak de burgemeestersvrouw, wijzend op het ongemak waarop de samenleving omging met de bewoonsters. Wat dat betreft is er jarenlang niet veel veranderd. Toch is de manier waarop we naar hen kijken en hoe we met hen omgaan in loop van zeer vele jaren langzaamaan gekenterd. En juist daarbij lijkt de naamgeefster van het nieuwe huis een rol te hebben gespeeld.

Het voormalige Jeanne Godfriedhuis aan de Kraneweg (2021)
Lees verder

De laatste schipper van Schouwerzijl

Gera Stuurwold

Het Noord-Groningse Schouwerzijl is een goed bewaard geheim. Het ligt aan een rustige weg vlak bij een ruime lus in het Reitdiep. Het haventje was vroeger druk door de overslag van vlas en graan. Nu kun je er een kanon afschieten. Bouke van der Kolk heeft hier met zijn negentiende-eeuwse Zeeuwse klipper het rijk alleen.   

Schipper Bouke van der Kolk, Schouwerzijl
Foto: www.mijnhogeland.nl, Een greep uit het dagelijks leven
Lees verder

Voetstappen uit het verleden

Marike Goossens

De aarde verbergt velerlei schatten die de moderne mens een blik op het verre verleden gunnen. Archeologen doen hun best deze voorwerpen boven water te krijgen. Scherven, speerpunten, sieraden, resten van kleding en botten. Heel soms ontdekken zij zoiets vluchtigs en ongrijpbaars als voetstappen.

Het merendeel van de voetstappen die een mens in zijn leven zet blijven niet bewaard. Hoogstens in het geheugen van een stappenteller maar de afdrukken zelf zeker niet. Toch is er af en toe sprake geweest van buitengewone omstandigheden waardoor voetstappen van onze voorouders bewaard zijn gebleven.

Reconstructie van het gezicht van een Australopithecus afarensis (foto: Wikimedia Commons)
Lees verder

Op de slagvelden van Heiligerlee en Jemgum

Door Wike de Boer

Lange lansen, strijdbanieren en daverende kanonnen. De slag bij Heiligerlee uit 1568 staat bekend als de ‘de slag waar de Tachtigjarige Oorlog mee begon’, een overwinning die Heiligerlee op de kaart heeft gezet. De daaropvolgende slag bij Jemgum (destijds Jemmingen) die voor de Nederlandse opstandelingen op een verpletterende nederlaag uitliep, is veel minder bekend. Hoe zit dit en welke sporen van de geschiedenis zijn er in Heiligerlee en Jemgum (vlak over de grens met Duitsland) nog terug te vinden?

Frans Hogenberg, Slag bij Heiligerlee, handgekleurde ets 1568 -1570. Midden rechts sneuvelt Arenberg, midden onder komt Adolf van Nassau om
Bron: Groninger Archieven
Lees verder