Lilian

Het keukenraam van doña Ana

In de smalle kronkelstraten van het oude centrum van het Spaanse Granada, vol hoge huizen volgeplakt met gietijzeren balkonnetjes die elkaar soms lijken te verdringen op de oude muren, steekt plotseling een buitenproportioneel grote, zwartglanzende neus van een auto naar voren. Achter het stuur zit een buitenproportioneel kleine man, die verwoede pogingen doet zijn trots ongeschonden uit de garage en op het straatje te krijgen. Hoe graag hij het ook zou willen, het lukt hem niet alleen. Even verderop staat zijn vrouw.

Gelaten en geroutineerd tegelijk gebaart ze naar haar man. Ze loopt al zes jaar naar dezelfde stoeptegel, die ene met die barst erin, en staat net links van het keukenraam van doña Ana. Hij kan nog steeds niet zonder haar. Berustend wuift ze halfslachtig naar haar man dat er niemand aankomt en dat hij door kan. Als ze ziet dat het ook dit keer vast wel weer zal lukken, draait ze zich om en loopt naar de bocht waar de straat iets breder is, waar ze op hem wacht.

Achter haar hoort ze het gezwoeg van haar man, die de auto nog een keer in de achteruit zet en net niet hun garage raakt, het piepen van het rechtervoorwiel als hij weer naar voren steekt en zoals altijd op een haar na het keukenraam van doña Ana mist, en een zucht van opluchting – niet helemaal duidelijk of deze van hem of van de auto afkomstig is – als hij veilig de straat bereikt heeft.

Het is ook nu weer gelukt.