Lilian

“Je zoekt je ouders niet uit, maar ook je land niet”

De ontworteling van een Silezische familie

Er is veel bekend over wat er tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog in Nederland plaatsvond, maar van de gebeurtenissen in andere landen weten we zo goed als niets. Laura Starink brengt daar op indringende wijze verandering in met haar boek ‘Duitse wortels’ (2013).

De moeder van Starink kwam uit Silezië, een regio in Midden-Europa. Al zevenhonderd jaar lang is dit gebied heen en weer geslingerd tussen verschillende machthebbers: Boheems, Pools, Duits, Pruisisch, Oostenrijks, opnieuw Duits … Anno 2019 is Silezië Pools – voor het grootste gedeelte dan: een deel van de regio Silezië is Duits en een ander deel Tsjechisch. Als gevolg van deze continue op- en verdeling hebben de Sileziërs zich eeuwenlang moeten aanpassen aan nieuwe regimes, die niet aarzelden om hun voorgangers zwart te maken. Als een Sileziër liet merken dat hij het vorige gezag eigenlijk liever zag, dan werd hem het leven zuur gemaakt – door zowel bewind als buren. In welke periode en onder welke machthebbers je ook leefde, er werd altijd op je neergekeken omdat het vorige bewind nog aan je kleefde.
De laatste machtswisseling – en dus ook wisseling van nationaliteit – was ongetwijfeld de zwaarste: van nazi-Duitsland naar Polen. In deze periode groeide Starinks moeder, Elinor Cibis, op met haar ouders, drie zusjes en een broertje. Via verhalen, anekdotes en zwart-witfoto’s van haar familie vertelt Laura Starink hoe het was om als Silezische Duitser en later Silezische Pool te moeten leven in een regio die totaal verscheurd was door de oorlog. Het wrange van het verhaal moet dan nog komen: de meeste concentratiekampen van de nazi’s bevonden zich in Silezië. Auschwitz lag slechts zestig kilometer verderop; de treinen reden vlak langs het dorp van de Cibissen. Niemand wist hier echter iets van: de Duitsers leefden immers zelf in een dictatuur met een ijzeren propaganda.

Duits dagelijks leven in oorlogstijd

Naarmate de oorlog vorderde, werd ook het leven voor de Duitsers zwaarder. In Nederland staan we hier eigenlijk nauwelijks bij stil – logisch natuurlijk. En toch: hoe verging het de meeste Duitsers zelf in die tijd? Ook dat vertelt Starink. Er was verplichte Arbeitsdienst, waarbij de arbeiders overal in Duitsland konden worden geplaatst en in kampen werden ondergebracht die – o, ironie – nauwelijks onderdeden voor de concentratiekampen honderden kilometers verderop. Het was zwaar werk, met geen ander gereedschap dan je blote handen in chemische of wapenfabrieken. De achterblijvers hadden het al niet veel beter. Je stond op, ging naar werk, scharrelde – legaal of illegaal; er was bijna niets – eten voor je gezin bij elkaar, ging naar huis, at je schamele maaltijd en ging naar bed. En de volgende dag opnieuw. Tijd en energie voor iets anders was er simpelweg niet. Sie haben es richtig nicht gewusst; dat wordt je bij het lezen van Duitse wortels pijnlijk duidelijk.
Door de Arbeitsdienst en de oorlog zelf raakten hele families in Duitsland versnipperd. Ook Elinors familie: de kinderen waren – gelukkig – te jong voor het leger, maar de drie oudste meisjes moesten in Arbeitsdienst. Bovendien heersten niet alleen oorlog en dictatuur, ook tbc kwam veelvuldig voor. Vader Cibis werd getroffen en mocht kuren in het ‘neutrale’ Zwitserland. Bij terugkomst was het leven zo mogelijk nog zwaarder geworden: hij was nauwelijks hersteld maar moest als godsdienstleraar en katholiek ontzettend op zijn woorden passen om te voorkomen dat zijn familie in de problemen zou komen. Hij is een paar keer door het oog van de naald gekropen.
Aan het eind van de oorlog raakte het gezin door een ongelukkig toeval versnipperd over Zwitserland, Duitsland en Polen, en het kostte veel moeite om weer bij elkaar te komen. Elinor kreeg tbc en mocht ook naar Zwitserland, waar ze de Nederlander Starink zou ontmoeten. Een zus moest naar Arbeitsdienst en werd door vader een eind weggebracht. Precies op die dag kwam de oorlog ten einde en werden er nieuwe grenzen getrokken. Vader en dochter konden niet meer terug naar de rest van het gezin, dat al eerder zijn heil had gezocht bij familie buiten het dorp en zich nu plotseling in Polen bevond. Als Duitsers in Polen werden ze door hun ‘nieuwe’ Poolse buren zomaar ineens met de nek aangekeken, ook al kenden ze elkaar al jaren en hadden Polen en Duitsers ooit gebroederlijk samen geleefd in hun beider Silezië.
Begin jaren vijftig werden de kinderen Cibis eindelijk herenigd in Kervenheim, vlak bij Nijmegen waar Elinor inmiddels woonde met haar Nederlandse man en kinderen. Zonder vader en moeder; die waren kort na de oorlog al overleden. Vanwege haar kuur in Zwitserland heeft Elinor haar ouders nooit meer gezien.

Sileziër?

Haar dochter Laura wordt geboren in 1954 in Tilburg. Ze studeerde Slavische Talen en Letterkunde in Amsterdam en heeft bijna dertig jaar lang voor de NRC gewerkt, onder andere als correspondent Oost-Europa in Moskou. ‘Als slavist en journalist volg ik Rusland en Oost-Europa al mijn hele leven’, zo zegt ze zelf op haar website.
Op haar zoektocht naar haar Duitse wortels reist Starink verschillende keren naar Silezië. Soms met haar moeder of met een oom of tante Cibis, soms alleen. Ze interviewt er Sileziërs en vraagt ze hoe ze terugkijken op de oorlog. En voelen ze zich Duits, Pools, Tsjechisch, Silezisch, …? Of zijn ze daar helemaal niet mee bezig? Immers, zoals Starink zelf zegt: ‘Ze waren te jong om er verantwoordelijk voor te zijn, maar zijn er wel de rest van hun leven mee opgezadeld.’

Duitse wortels – Mijn familie, de oorlog en Silezië


Dit uitgangspunt levert een fascinerend verhaal op. In eenvoudige, maar rake bewoordingen weet Starink bij de lezer een mengeling van afschuw en sympathie op te wekken: afschuw vanwege de verschrikkingen die tijdens de oorlog door Duitsers en na de oorlog evengoed door Polen en Russen worden begaan in Silezië, en sympathie vanwege de steeds maar weer ontheemd rakende Sileziërs. Zoals de moeder van Starink eens zei: ‘Je zoekt je ouders niet uit, maar je land ook niet.’ Ook de onzekerheid van de Sileziërs over hun toekomst en identiteit – in welke periode dan ook – is treffend omschreven. Starink citeert een germanist die ze interviewt voor haar onderzoek: ‘Sileziërs waren niet ondubbelzinnig Duits, Pools of Tsjechisch. Het was een vormeloze massa die zich noodgedwongen eeuwenlang aan ieder systeem had aangepast. Het waren overlevers.’

Ontworteling in meerdere opzichten

Echter, niet alleen de Sileziër voelt zich ontworteld, ook de lezer is af en toe de draad kwijt. Doordat de plaatsen door het dan heersende Duitse of Poolse regime steeds werden hernoemd, krijg je als lezer continu wisselende namen voorgeschoteld terwijl het verhaal zich op dezelfde locatie afspeelt. Ook het feit dat Starink de reizen die ze zestig of zeventig jaar na dato maakt, verweeft met de verhalen tijdens of na de oorlog zorgt voor desoriëntatie bij de lezer. Het frappante is wel dat die desoriëntatie voor sommige lezers bijdraagt aan Duitse wortels (dat immers zelf ook over desoriëntatie gaat), terwijl andere lezers door al die wisselende plaats- en persoonsnamen door de bomen het bos niet meer zien en het boek dichtklappen.
Voor mij persoonlijk voegde die desoriëntatie – die ikzelf ook voelde – juist iets toe aan het lezen. Ik kon me daardoor makkelijker verplaatsen in de ontworteling van de hoofdpersonen. Duitse wortels is wat mij betreft een indrukwekkend verhaal vol afschuwelijke feiten en liefdevolle herinneringen, op meesterlijk serene wijze verteld. Niet voor niets was het in 2014 genomineerd voor de Bob den Uyl Prijs. Het zou 75 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog verplichte kost moeten zijn, al was het maar om deze periode eens door de ogen van een ander te zien.

Laura Starink – Duitse wortels. Mijn familie, de oorlog en Silezië
Uitgeverij Augustus, 2013, € 12,50

Bronnen
Website Laura Starink: https://laurastarink.wordpress.com/
Silezië (Wikipedia): https://nl.wikipedia.org/wiki/Silezi%C3%AB